Op 27 oktober 2011 is er met de wijziging van artikel 6:234 BW een eind gekomen aan de onduidelijkheid over de hantering van algemene voorwaarden door dienstverleners, en inmiddels is ook de eerste rechtspraak over de bijzondere positie van dienstverrichters gepubliceerd

(ECLI:NL:GHARN:2012:BY5306).

Algemene voorwaarden als bedoeld in artikel 6:230b onder 6 BW zijn de algemene voorwaarden van dienstverrichters die vallen onder de werking van de zogenaamde Dienstenrichtlijn van 12 december 2006 (2006/123/EG). Deze richtlijn is van toepassing op dienstverrichters die in een lidstaat zijn gevestigd, met uitzondering van de twaalf in artikel 2 lid 2 genoemde diensten (o.a. financiële en medische diensten). Onder dienstverrichter wordt verstaan iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die een dienst aanbiedt of verricht.

De vier in artikel 6:230c BW genoemde manieren van verstrekking van algemene voorwaarden zijn:

  • Op eigen initiatief door de dienstverrichter.
  • Op de plaats waar de dienst wordt verricht of het contract wordt gesloten, mits gemakkelijk toegankelijk.
  • Langs elektronische weg op een door de dienstverrichter meegedeeld adres.
  • Door opname in aan de afnemer verstrekte informatiedocumenten waarin de diensten van de dienstverrichter in detail worden beschreven.

Dienstverrichters kregen door de wetswijziging van 23 december 2009 dus twee extra mogelijkheden om aan hun informatieplicht te voldoen: (i) de algemene voorwaarden ter inzage leggen op de plaats waar de dienst wordt verricht of het contract wordt gesloten, dan wel (ii) verwijzing naar een internetadres (elektronisch ter inzage leggen). Anders dan bij niet-dienstverrichters gelden deze mogelijkheden ongeacht of terhandstelling redelijkerwijs mogelijk is, en ongeacht of de overeenkomst langs elektronische weg tot stand is gekomen.

Het één en ander is bevestigd door het Gerechtshof Arnhem in het arrest van 11 december 2012.