Een partij die de overeenkomst met zijn wederpartij wegens tekortkoming in de nakoming wil ontbinden, kan dat pas doen als zijn wederpartij in verzuim verkeert. Verzuim treedt in door ingebrekestelling, maar kan ook intreden door het verstrijken van een afgesproken fatale termijn of door een mededeling van de schuldenaar waaruit blijkt dat hij niet zal gaan nakomen. De HR heeft zijn arrest van 31 januari 2020 een belangrijk standpunt in genomen over met name deze laatste twee mogelijkheden.

De Hoge Raad stelt dat een ingebrekestelling niet de functie heeft om ‘het verzuim vast te stellen’, maar om de schuldenaar nog een laatste termijn voor nakoming te geven en aldus nader te bepalen tot welk tijdstip nakoming nog mogelijk is zonder dat van een tekortkoming sprake is, bij gebreke van welke nakoming de schuldenaar vanaf dat tijdstip in verzuim is. Volgens de Hoge Raad strookt hiermee dat pas sprake is van een tekortkoming wegens niet tijdig presteren (ervan uitgaande dat nakoming nog mogelijk is), indien de schuldenaar in verzuim is. Als de koper heeft aangegeven dat hij niet op een afgesproken tijdstip kan afnemen, maar indien na deze tijdstip levering nog steeds mogelijk zou zijn, is de koper niet in verzuim. De koper is pas in verzuim indien de verkoper een ingebrekestelling heeft verzonden en hij niet binnen de gestelde termijn tot afname overgaat.

Dat betekent voor de praktijk dat het – ook bij twijfel – altijd raadzaam is om een ingebrekestelling met termijn te versturen, zelfs indien de koper heeft aangegeven niet op tijd te kunnen afnemen.

Meer weten? Neem contact op met Annelies ten Hove,