Het huwelijk tussen M en V, die in gemeenschap van goederen gehuwd waren, is in 2012 door echtscheiding ontbonden. Partijen twisten over de verdeling van de huwelijksgemeenschap. De rechtbank heeft de verdeling vastgesteld, tegen welke beschikking V in hoger beroep gaat.
Volgens V heeft de rechtbank ten onrechte bepaald dat afkoopsom van de levensverzekering ten name van M (ad € 12.000) bij helfte moet worden verdeeld, nu deze uitkering door partijen ten tijde van hun samenleving volledig is gebruikt, namelijk aan het huwelijk van hun zoon.
M stelt zich op het standpunt dat V hem de helft van de afkoopsom (€ 6.000) dient te voldoen. Volgens hem heeft V willens en wetens en zonder zijn toestemming de gemeenschap benadeeld (artikel 1:164 BW).
Vast staat dat V op 28 februari 2011, derhalve binnen zes maanden vóór aanvang van het echtscheidingsgeding, van haar spaarrekening de ontvangen afkoopsom heeft gestort op de gezamenlijke bankrekening van partijen en dat bedrag diezelfde dag heeft doorgestort naar de schoonzoon van partijen. Volgens V deed zij dit omdat de zoon van partijen en diens partner (de schoonzoon) het geld nodig hadden voor hun bruiloft, hetgeen M betwist. 
Volgens het hof is hier sprake van een gift als bedoeld in artikel 1:88 lid 1 sub b BW. V heeft niet gesteld dat het hier gaat om een gebruikelijke, niet bovenmatige gift. Het hof ziet daar ook geen aanwijzingen voor. Nu de vereiste toestemming van M voor deze rechtshandeling van V ontbreekt, althans deze toestemming blijkt nergens uit, is V gehouden het bedrag van € 12.000 aan de gemeenschap te vergoeden. Dit bedrag dient in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap bij helfte tussen partijen te worden verdeeld.

Heeft u vragen over de gemeenschap van goederen? Neem contact op met Andrew Holmes,

Bron:
Gerechtshof Den Haag, 23 april 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:1691