Misleidende reclame door Lidl

Lidl ijsje

De bestreden reclame betreft een uiting voor “Vanilla Cones” in de nieuwsbrieven van Lidl van 3 en 17 juli 2014. Boven de afbeelding van een pak “Vanilla Cones” ijsjes staat “ALS BESTE GETEST! Bron: Smaaktest Consumentenbond juli / augustus 2014”.  Onder de afbeelding van het pak ijsjes staat: “Wint o.a. van Ola en heeft een lekker knapperig hoorntje”.

Unilever dient een klacht in bij de Reclame Code Commissie en stelt dat de reclame is gebaseerd op een door de Consumentenbond uitgevoerde marginale test inzake het Cornetto ijsje van Unilever en haar concurrenten (‘Cornetzo-test’). Deze test kan niet als onderbouwing van de reclame dienen, nu de test door slechts 19 personen is uitgevoerd en in opzet, uitvoering en wijze van publicatie niet voldoet aan de strenge eisen van betrouwbaarheid en zorgvuldigheid die in het algemeen gelden voor testen die door de Consumentenbond in het kader van klassiek vergelijkend warenonderzoek worden gedaan. Meer lezen

Hof past criteria Wet Woonlandbeginsel toe in plaats van Big Mac-index

M en V zijn in 1981 in Marokko met elkaar gehuwd, uit welk huwelijk meerdere kinderen (waarvan de jongste thans nog minderjarig is) zijn geboren. Het huwelijk is in 2012 door echtscheiding ontbonden.
M is inmiddels hertrouwd en woont met zijn huidige echtgenote sinds juli 2012 in Marokko. Hij ontvangt een WAO-uitkering van € 17.755 per jaar. V vormt met de kinderen van partijen een eenoudergezin. Zij ontvangt een WWB-uitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder.
Op 25 september 2013 heeft de rechtbank de door M te betalen kinderalimentatie op € 250 per maand bepaald, en de door hem te betalen partneralimentatie op € 750 per maand. M gaat in hoger beroep. V heeft de door haar verzochte partneralimentatie intussen bijgesteld tot € 216 per maand.

M voert aan dat partijen inmiddels drie jaar gescheiden zijn. Van V had mogen worden verwacht dat zij inmiddels de Nederlandse taal zou beheersen en een baan had gevonden. Van de door haar gestelde behoeftigheid is dan ook geen sprake, aldus M. Meer lezen

Schijnhuwelijk: echtscheidingsverzoek afgewezen

M (van Egyptische nationaliteit) en V (van Nederlandse nationaliteit) dienen een gezamenlijk verzoek tot echtscheiding in. De rechtbank acht redenen aanwezig om een schijnhuwelijk (teneinde M aan een Nederlandse verblijfsvergunning te helpen) te vermoeden en wijst het verzoek af. M gaat in hoger beroep.

Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft beslist. M heeft in hoger beroep geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een andersluidend oordeel zouden moeten leiden. Daarbij neemt het hof nog in aanmerking dat de door partijen afgelegde verklaringen ten aanzien van hun woonsituatie ten tijde van de huwelijksdatum elkaar tegenspreken. Zo stelt M dat hij feitelijk met V op één adres heeft samengewoond, terwijl V verklaart dat partijen slechts op één adres ingeschreven hebben gestaan maar dat zij daar nooit geweest is. Nu M zijn stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd, gaat het hof er vanuit dat partijen nooit feitelijk met elkaar hebben samengewoond.  Meer lezen

Benadeling van de gemeenschap

Het huwelijk tussen M en V, die in gemeenschap van goederen gehuwd waren, is in 2012 door echtscheiding ontbonden. Partijen twisten over de verdeling van de huwelijksgemeenschap. De rechtbank heeft de verdeling vastgesteld, tegen welke beschikking V in hoger beroep gaat.
Volgens V heeft de rechtbank ten onrechte bepaald dat afkoopsom van de levensverzekering ten name van M (ad € 12.000) bij helfte moet worden verdeeld, nu deze uitkering door partijen ten tijde van hun samenleving volledig is gebruikt, namelijk aan het huwelijk van hun zoon.
M stelt zich op het standpunt dat V hem de helft van de afkoopsom (€ 6.000) dient te voldoen. Volgens hem heeft V willens en wetens en zonder zijn toestemming de gemeenschap benadeeld (artikel 1:164 BW).
Vast staat dat V op 28 februari 2011, derhalve binnen zes maanden vóór aanvang van het echtscheidingsgeding, van haar spaarrekening de ontvangen afkoopsom heeft gestort op de gezamenlijke bankrekening van partijen en dat bedrag diezelfde dag heeft doorgestort naar de schoonzoon van partijen. Volgens V deed zij dit omdat de zoon van partijen en diens partner (de schoonzoon) het geld nodig hadden voor hun bruiloft, hetgeen M betwist.  Meer lezen