Een agent heeft bij het einde van de relatie met zijn leverancier recht op een klantenvergoeding. De klantenvergoeding is geen vergoeding van schade. Achtergrond van de vergoeding is de gedachte dat de handelsagent nieuwe klanten heeft aangebracht of bestaande contracten heeft uitgebreid. Betaling van een klantenvergoeding is daarom billijk en berust op dwingend recht.

Vaststelling klantenvergoeding
Over de wijze waarop de klantenvergoeding moet worden vastgesteld heeft de Hoge Raad op 2 november 2012 in de zaak T-Mobile vs. ICOM een arrest gewezen. De Hoge Raad heeft exact aangegeven hoe voortaan deze klantenvergoeding moet worden vast gesteld.  Aansluiting dient te worden gezocht bij de in de Duitse rechtspraktijk gangbare wijze waarop de klantenvergoeding wordt berekend. De rechtbank te Amsterdam heeft deze uitspraak vervolgens op 16 april 2013 toegepast. Op basis van dit uitgangspunt wordt de vaststelling van de klantenvergoeding in drie fasen gemeten, te weten:

De Hoge Raad maakt daarbij gebruik van drie fasen: (i) in de eerste fase moet worden gekeken naar de voordelen die transacties met door de handelsagent aangebrachte klanten voor de principaal opleveren (vgl. artikel 7:442 lid 1 sub a BW) (ii) in fase twee wordt er een billijkheidscorrectie toegepast, in die zin dat dient te worden bezien of, en zo ja in hoeverre er bij beëindiging sprake is van ongerechtvaardigde verrijking van de principaal (zogenaamde indemniteitssysteem)(iii) In fase drie dient er te worden getoetst aan het gestelde maximum, zoals verwoord in artikel 7:442 BW (maximaal één jaar vergoeding, berekend over de laatste vijf jaar en voor zover de agentuurovereenkomst korter duurde, het gemiddelde van de afgelopen jaren).

Vragen?  Neem contact op met Annelies ten Hove: