M en V zijn in 1981 in Marokko met elkaar gehuwd, uit welk huwelijk meerdere kinderen (waarvan de jongste thans nog minderjarig is) zijn geboren. Het huwelijk is in 2012 door echtscheiding ontbonden.
M is inmiddels hertrouwd en woont met zijn huidige echtgenote sinds juli 2012 in Marokko. Hij ontvangt een WAO-uitkering van € 17.755 per jaar. V vormt met de kinderen van partijen een eenoudergezin. Zij ontvangt een WWB-uitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder.
Op 25 september 2013 heeft de rechtbank de door M te betalen kinderalimentatie op € 250 per maand bepaald, en de door hem te betalen partneralimentatie op € 750 per maand. M gaat in hoger beroep. V heeft de door haar verzochte partneralimentatie intussen bijgesteld tot € 216 per maand.

M voert aan dat partijen inmiddels drie jaar gescheiden zijn. Van V had mogen worden verwacht dat zij inmiddels de Nederlandse taal zou beheersen en een baan had gevonden. Van de door haar gestelde behoeftigheid is dan ook geen sprake, aldus M.

Het hof overweegt dat V sinds het uiteengaan van partijen een bijstandsuitkering ontvangt. Vast staat dat V (1) gedurende het huwelijk van partijen altijd voor de kinderen heeft gezorgd, (2) nimmer een baan buitenshuis heeft gehad en (3) geen/zeer beperkt Nederlands spreekt. Nu V een bijstandsuitkering ontvangt, staat daarmee volgens het hof vast dat zij behoefte heeft. Nu zij tevens aan de voorwaarden voor het ontvangen van een dergelijke uitkering voldoet en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent haar arbeidsverleden, stelt het hof vast dat van V niet verwacht kan worden dat zij thans door middel van arbeid in eigen levensonderhoud voorziet. Haar behoeftigheid staat daarmee eveneens vast, zodat dient te worden bepaald in hoeverre M in partneralimentatie kan voorzien. De behoefte van de minderjarige wordt niet betwist en staat daarmee vast.

M heeft geen grief gericht tegen de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum (29 mei 2013) van de door hem te betalen kinderalimentatie. Nu deze ingangsdatum ligt na de inwerkingtreding van de nieuwe richtlijnen, zou in beginsel de draagkracht van M ten behoeve van de kinderalimentatie aan de hand van deze nieuwe richtlijnen dienen te worden vastgesteld. Het hof ziet echter aanleiding hiervan af te wijken en overweegt daartoe als volgt.

M woont in Marokko en ontvangt een (Nederlandse) WAO-uitkering van € 1.243 netto per maand. In geschil is hoe de draagkracht van M dient te worden bepaald, meer in het bijzonder gelet op het feit dat de kosten van levensonderhoud in Marokko lager zijn dan in Nederland.
Met V is het hof van oordeel dat voor de bepaling van de draagkracht van M kan worden aangesloten bij de criteria uit de Wet Woonlandbeginsel, waarbij ervan wordt uitgegaan dat de kosten van levensonderhoud in Marokko 40% lager zijn dan in Nederland. Het hof ziet geen reden met een andere norm voor de vergelijking van het prijspeil tussen Nederland en Marokko, zoals de door M voorgestelde Big Mac-index, rekening te houden. De stelling van M, dat zijn huidige echtgenote vanwege haar leeftijd (41) en ongeschooldheid niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, is door M op geen enkele wijze nader onderbouwd. Het hof ziet daarin evenmin reden om, zoals door M voorgesteld, wel rekening te houden met een bijstandsnorm op Nederlands niveau. Gelet hierop beschouwt het hof, voor de bepaling van zijn draagkracht, M als alleenstaande. Nu M geen opgave heeft gedaan van eventuele woonlasten, huurbetalingen, ziektekostenpremies of andere lasten, houdt het hof daarmee – anders dan voor zover deze in de bijstandsnorm zijn verdisconteerd – geen rekening.
Dit brengt met zich dat het hof het draagkrachtloos inkomen van M bepaalt op 60% van € 926 (de bijstandsnorm voor een alleenstaande in mei 2013), ofwel € 557 per maand. De draagkrachtruimte bedraagt, gelet op de hoogte van de door M ontvangen uitkering, € 686 per maand en de beschikbare draagkracht voor de minderjarige (70%): € 480 per maand. M is dan ook in staat € 250 per maand aan kinderalimentatie te voldoen. De resterende draagkracht is (rekening houdende met een beschikbaar percentage van 60) tevens voldoende om de door V verzochte partneralimentatie van € 216 per maand te voldoen.

Heeft u meer informatie nodig over de internationale aspecten van alimentatie? Neem contact op met Andrew Holmes,

Bron:

Gerechtshof Amsterdam, 20 mei 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:2092