De rechtsvraag die in het arrest van de HR op 19 april 2019 centraal stond, was of een uit meerdere pagina’s bestaand geschrift dat enkel op de laatste pagina is ondertekend, kan kwalificeren als een akte in de zin van art. 156 lid 1 Rv. en daarmee dwingende bewijskracht heeft (behoudens tegenbewijs). Dat gold, volgens het hof, wel voor de laatste pagina (die immers ondertekend was) maar niet voor de voorafgaande, niet ondertekende pagina’s. Inmiddels heeft de Hoge Raad het betreffende arrest van het Hof Den Haag gecasseerd en komt tot een ander oordeel. De vraag wordt dus met Nee beantwoord.

Art. 156 lid 1 Rv bepaalt dat akten ondertekende geschriften zijn die bestemd zijn om tot bewijs te dienen. Voor onderhandse akten gelden geen andere wettelijke vereisten dan uit de tekst van deze bepaling voortvloeien, te weten dat het moet gaan om een geschrift dat is ondertekend en dat is bestemd om tot bewijs te dienen. Art. 156 lid 1 Rv ziet ook op een meer bladzijden tellend stuk dat uitsluitend aan het slot daarvan is ondertekend. Een dergelijk stuk levert derhalve een onderhandse akte op als ook voor het overige aan de zojuist genoemde eisen van art. 156 lid 1 Rv is voldaan. Hieruit volgt dat het hof is uitgegaan van een te beperkte opvatting van het begrip ‘akte’. Nu vaststaat dat de handtekening van [verweerder] op de tweede bladzijde van het overgelegde geschrift staat, en dat de tekst van dat geschrift dient tot bewijs, is sprake van een akte in de zin van art. 156 lid 1 Rv.

Als de echtheid van een onderhandse akte wordt betwist, dat wil zeggen als wordt betwist dat het stuk dat als akte wordt gepresenteerd, overeenkomt met het stuk dat is ondertekend, volgt uit art. 150 Rv dat degene die zich op deze valsheid beroept, als hoofdregel de bewijslast terzake heeft. Zie ECLI:NL:HR:2019:641.

Ter voorkoming van dit soort procedures is het toch aan te raden om elke pagina van een paraaf te voorzien.

Meer weten? Neem contact op met Annelies ten Hove, tenhove@tdhadvocaten.nl