M (van Egyptische nationaliteit) en V (van Nederlandse nationaliteit) dienen een gezamenlijk verzoek tot echtscheiding in. De rechtbank acht redenen aanwezig om een schijnhuwelijk (teneinde M aan een Nederlandse verblijfsvergunning te helpen) te vermoeden en wijst het verzoek af. M gaat in hoger beroep.

Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft beslist. M heeft in hoger beroep geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een andersluidend oordeel zouden moeten leiden. Daarbij neemt het hof nog in aanmerking dat de door partijen afgelegde verklaringen ten aanzien van hun woonsituatie ten tijde van de huwelijksdatum elkaar tegenspreken. Zo stelt M dat hij feitelijk met V op één adres heeft samengewoond, terwijl V verklaart dat partijen slechts op één adres ingeschreven hebben gestaan maar dat zij daar nooit geweest is. Nu M zijn stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd, gaat het hof er vanuit dat partijen nooit feitelijk met elkaar hebben samengewoond. 
Voorts weegt het hof mee dat M ter zitting in hoger beroep, anders dan in eerste aanleg en in zijn hoger beroepschrift, heeft verklaard dat hij de biologische vader van de zoon van V is. Het hof acht deze nieuwe verklaring – mede in het licht van de onweersproken stelling van V dat zij nimmer met M gemeenschap heeft gehad – niet geloofwaardig. Zulks geldt temeer waar M, die in eerste aanleg toch werd bijgestaan door een eigen advocaat, geen steekhoudende verklaring heeft kunnen geven voor deze van het in gemeenschappelijk verzoekschrift ingenomen standpunt afwijkende stellingname.
Gelet op het voorgaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat het huwelijk tussen partijen slechts is aangegaan om M een verblijfsstatus te bezorgen en dat derhalve sprake is van een schijnhuwelijk. Nu erkenning van dit schijnhuwelijk in strijd zou zijn met de Nederlandse openbare orde komt het onderhavige huwelijk niet voor erkenning in aanmerking en kan niet worden toegekomen aan een verdere beoordeling van het echtscheidingsverzoek.
Ten overvloede overweegt het hof dat ook in hoger beroep niet is gesteld dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. De grond voor de toewijzing van het verzoek tot echtscheiding (artikel 1:151 BW) ontbreekt derhalve.
Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.

Heeft u vragen over dit artikel? Neem contact op met Andrew Holmes,

Bron:

Gerechtshof Den Haag, 25 juni 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2299