De door de vrouw aangevoerde omstandigheden zijn niet van dien aard dat het resultaat van de objectieve verwijzingsregel (Chelouche/Van Leer), te weten toepassing van Marokkaans recht, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en correctie behoeft.

M en V zijn in 1981 te Midar (Marokko) gehuwd. Uit hun huwelijk is een, thans nog minderjarig, kind geboren. Partijen hadden ten tijde van de huwelijkssluiting beiden de Marokkaanse nationaliteit en hebben die nog steeds. M heeft in 2003/2004 tevens de Nederlandse nationaliteit verkregen.
M heeft zich in 1986 in Nederland gevestigd, V heeft zich in 1991 bij hem gevoegd.
In november 2011 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken. Bij die beschikking heeft de rechtbank het door V gedane verdelingsverzoek afgewezen op de grond dat het tussen partijen bestaande huwelijksvermogensregime wordt beheerst door het Marokkaanse recht, dat een algehele scheiding van goederen kent.

V verzoekt het hof voor recht te verklaren dat tussen partijen het Nederlands huwelijksvermogensrecht van toepassing is en dat zij (dus) in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd. Volgens V moet op grond van de redelijkheid en billijkheid een correctie worden gemaakt op de in het Chelouche/Van Leer‑arrest (HR 10 december 1976, NJ 1977, 275) geformuleerde verwijzingsregel dat bij gebreke van een rechtskeuze van partijen in principe het gemeenschappelijke nationale recht geldt. M en V zijn, alle omstandigheden in aanmerking genomen, het nauwst verbonden met het Nederlandse recht, aldus V.

Het hof stelt vast dat het huwelijk tussen partijen is gesloten vóór 1 september 1992, zodat het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 niet van toepassing is. Nu vast staat dat partijen vóór het huwelijk geen rechtskeuze hebben gemaakt, is het hof is van oordeel dat – gelet op de verwijzingsregels, zoals geformuleerd in het Chelouche/Van Leer‑arrest – het Marokkaanse recht, zijnde het recht van het land waarvan de echtgenoten ten tijde van de huwelijkssluiting beiden de nationaliteit hadden, op het tussen hen bestaande huwelijksvermogensregime van toepassing is.
De door V aangevoerde omstandigheden dat partijen sinds 1991 in Nederland woonachtig zijn, dat M in 2003/2004 de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, doch haar aanvraag tot verkrijging van de Nederlandse nationaliteit heeft tegengehouden, dat partijen in Nederland zijn geworteld en niet van plan zijn om naar Marokko te remigreren, alsmede dat M in het kader van de echtscheidingsprocedure haar verzoek tot toepassing van het Nederlandse recht niet heeft weersproken, zijn naar het oordeel van het hof niet van dien aard dat voormeld resultaat van de objectieve verwijzingsregel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en correctie behoeft. Het hof merkt in dit verband op dat deze omstandigheden zich alle hebben voorgedaan ruimschoots na de huwelijkssluiting, terwijl op grond van de in deze zaak geldende verwijzingregels het toepasselijk recht staande het huwelijk in beginsel niet automatisch kan wijzigen als gevolg van wijziging van nationaliteit en/of gewone verblijfplaats.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het Marokkaanse recht een algehele scheiding van vermogen kent. Tussen partijen is niet in geschil dat zij geen afspraken hebben gemaakt over het beheer van vermogensbestanddelen die zijn verworven gedurende het huwelijk of over het vermogensrechtelijk gebruik en de verdeling ervan. Het hof overweegt dat V haar stelling dat M beschikt over vermogen dat voor verdeling in aanmerking komt, in het licht van de uitdrukkelijke betwisting door M, onvoldoende (met stukken) heeft onderbouwd. Dit had wel op haar weg gelegen.
Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.

Gerechtshof Amsterdam, 11 december 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:4171 (onlangs gepubliceerd)