In de casus die heeft geleid tot de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 29 januari 2014 gold het volgende:

Het huwelijk tussen M en V is door echtscheiding ontbonden. In hun huwelijkse voorwaarden waren partijen een verrekenbeding ten aanzien van overgespaarde inkomsten overeengekomen. Partijen hebben nimmer uitvoering aan dat beding gegeven. M is zelfstandig ondernemer en heeft een BV.
In hoger beroep stelt V onder meer dat de rekening-courantschuld van de man aan zijn BV niet op de waarde van de aandelen in mindering moet worden gebracht, zoals de rechtbank heeft gedaan. Volgens V komen schulden in het kader van een niet nagekomen verrekenbeding niet voor verrekening in aanmerking; verrekend worden slechts overgespaarde inkomsten.
M voert aan dat de rekening-courantschuld is ontstaan doordat beide partijen gedurende lange tijd gelden uit de onderneming hebben opgenomen en via de gemeenschappelijke rekening samen hebben aangewend. Het betreft daarom geen privéschuld van M. Bovendien, zo stelt M, dient de rekening-courantschuld te worden gezien als een voorschot op bijvoorbeeld dividend. Immers, in feite hadden de opnames in mindering moeten worden gebracht op de winst, waarmee de waarde van de aandelen ook lager was geweest.

Het Gerechtshof overwoog in deze zaak als volgt:

Indien bij het einde van het huwelijk blijkt dat het periodieke verrekenbeding niet is nagekomen, blijft de verrekenplicht in stand (artikel 1:141 lid 1 BW) en wordt in artikel 1:141 lid 3 jo. 1:142 BW het bewijsvermoeden geformuleerd dat het op het tijdstip van indiening van het echtscheidingsverzoek aanwezige vermogen vermoed wordt te zijn het te verrekenen vermogen. Volgens vaste rechtspraak strekt een periodiek verrekenbeding er naar zijn aard toe dat periodiek wordt verrekend hetgeen van de inkomsten van partijen wordt bespaard, waarna ieder van de echtgenoten vervolgens in staat is zijn aandeel in de besparingen door belegging, te besteden aan vorming en vermeerdering van het eigen vermogen. Laten partijen – zoals in dit geval – tijdens het huwelijk deling achterwege, dan moet daaraan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid het gevolg worden verbonden dat partijen bij het einde van het huwelijk tot verrekening overgaan en dat in deze verrekening ook wordt betrokken de vermogensvermeerdering die is ontstaan door belegging van hetgeen uit de inkomsten is bespaard maar ongedeeld is gebleven.

Anders dan M meent, is er aldus geen plaats voor het in de verrekening in aanmerking nemen van schulden, die immers geen (her)belegging van overgespaarde niet gedeelde inkomsten zijn. Het te verrekenen vermogen omvat niet de rekening-courantschuld van de man aan zijn BV. Daaraan doet niet af dat de in rekening-courant opgenomen gelden gezamenlijk zijn besteed, zoals M stelt. Indien met die gelden (mede) ten laste van V komende schulden zijn betaald, dan wel die gelden (mede) ten behoeve van haar zijn besteed, zou M een of meer vergoedingsrechten hebben. Daargelaten dat dat niet is gesteld door M, kan het hof dat ook niet vaststellen op grond van de stukken. De rekening-courantschuld dient derhalve niet op de waarde van de aandelen – mede ten behoeve van V herbelegde overgespaarde niet gedeelde inkomsten – in mindering te worden gebracht.

Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en bepaalt dat V op grond van het door partijen overeengekomen verrekenbeding een opeisbare vordering heeft op M van € 140.068,50 en veroordeelt M tot betaling van dat bedrag aan V.

Heeft u vragen over dit artikel of heeft u vragen over uw huwelijkse voorwaarden? Neem contact op met Andrew Holmes